Dutch/Lesson 11A

From Wikibooks, open books for an open world
Jump to navigation Jump to search

Beginner level Intermediate level Advanced level
Cycle 1 Quiz Cycle 2 Quiz Cycle 3 Cycle 4 Cycle 5 Cycle 6
Main Les 1 Les 2 Les 3 Les 4 Les 5 Les 6 Les 7 Les 8 Les 9 Les 10 Les 11 Les 12 Les 13 Les 14 Les 15 Les 16 Les 17 Les 18 Les 19 Les 20 Les 21 Les 22 Les 23 Main
Practice Les 1A Les 2A Les 3A Les 4A Les 5A Les 6A Les 7A Les 8A Les 9A Les 10A Les 11A Les 12A Les 13A Les 14A Les 15A Les 16A Practice
Examples Vb. 1 Vb. 2 Vb. 3 Vb. 4 Vb. 5 Vb. 6 Vb. 7 Vb. 8 Vb. 9 Vb. 10 Vb. 11 Vb. 12 Vb. 13 Vb. 14 Vb. 15 Vb. 16 Examples
Main page Introduction Pronunciation Vocabulary Index News

Intermediate level: cycle 3

Les 11A ~ Lesson 11A

Voegwoorden ~ Conjunctions

• '

Exercise 11A-1[edit]

YOUR TURN - UW BEURT!! • Lesson 11A • 11A Conjuctions

Using the [conjunction], combine the two sentences into one

[want] Ik heb een tandenborstel nodig. Ik wil mijn tanden poetsen.
[omdat] Hij moest rechtsaf. Het hotel was in die straat.
[maar] Het gaat vandaag regenen. Morgen gaat het vriezen.
[hoewel] Hij nam een kopje thee. Eigenlijk wilde hij een biertje.
[zodat] Hij deed de deur dicht. Hij werd niet gestoord.
[tenzij] Morgen gaan we naar zee. Het regent verschrikkelijk.
[als] Waarschijnlijk blijven we thuis. Het weer is helemaal niet goed.
[toen] Hij liep snel naar binnen. Het begon plotseling te hagelen.
[wanneer] Ik ga het eten op tafel zetten. Hij komt van zijn werk in de chemische fabriek.
[of]. Het kan vriezen. Het kan dooien.
SOLUTION • Dutch/Lesson 11A • 11A Conjuctions
Ik heb een tandenborstel nodig, want ik wil mijn tanden poetsen
Hij moest rechtsaf, omdat het hotel was in die straat was.
Het gaat vandaag regenen, maar morgen gaat het vriezen.
Hij nam een kopje thee, hoewel hij eigenlijk een biertje wilde.
Hij deed de deur dicht, zodat hij niet gestoord werd .
Morgen gaan we naar zee, tenzij het verschrikkelijk regent.
Waarschijnlijk blijven we thuis,als het weer helemaal niet goed is.
Hij liep snel naar binnen toen het plotseling begon te hagelen.
Ik ga het eten op tafel zetten, wanneer hij van zijn werk in de chemische fabriek komt.
Het kan vriezen of het kan dooien.

co-ordinating: order remains the same subordinating: causes the verb to go to the end

Remarks:

  1. Notice begon te hagelen. Expressions with the extended infinitive with te often act as a little abridged phrase in their own right. there are essentially three phrases here, not two. This explains why begon does not move all the way to the end, although it does move behind plotseling, i.e. as far as it can in the middle of the three phrases.
  2. Notice morgen stays before gaat het, but eigenlijk is no longer at the beginning, but hij is and the inversion is lifted. hoewel rearranges the whole order. maar does not.

Translation:

I need a toothbrush, for I want to brush my teeth
He had to turn right, because the hotel was in that street.
It is going to rain today, but tomorrow it is going to freeze.
He took a cup of tea, although he really wanted a beer
He closed the door, so that he was not disturbed.
Tomorrow we are going to the sea, unless it rains terribly
Probably we'll stay home, if the weather is not good at all.
He quickly ran inside, when it suddenly started to hail
I'm going to put the food on the table, when he comes from his work in the chemical factory
It can freeze or it can thaw (expression meaning: all we can do is wait and see)

Vocabulary[edit]

Study the vocabulary related to member of the family: Dutch/Vocabulary/Family

Exercise 11A-2[edit]

YOUR TURN - UW BEURT!! • Lesson 11A • 11A-2 Word order

In the following text the word order has deliberately been messed up a bit. Can you spot that and correct?

Mijn vader gekocht een nieuwe auto heeft. Gisteren hij ging naar een autodealer en hij daar de koop afgesloten heeft. Het is een prachtige auto nieuw, maar het was zeker geen goedkope auto. Vandaag hij gaat laten zijn hele familie zien hoe op zijn nieuwe auto hij is trots. Aan zijn beide broers en echtgenotes hun en aan mijn tante, de zus van mijn moeder en aan mijn grootvader en grootmoeder de auto moet worden vertoond. Mijn neef Karel erin rijden wilde, maar mijn vader zo'n goed idee dat niet vond. Karel heeft nog maar net zijn rijbewijs gehaald. Mijn zus en ik prachtig de auto vinden, omdat deze is groter en sneller dan de oude auto die had mijn vader. Haar mond houdt mijn moeder. Zij is niet zo blij want zij de auto te duur vindt. Zij wou niet opnieuw ruzie daarover maken, daarom ze glimlacht veel.
SOLUTION • Dutch/Lesson 11A • 11A-2 Word order
Mijn vader heeft een nieuwe auto gekocht. Gisteren ging hij naar een autodealer en heeft hij daar de koop afgesloten. Het is een prachtige nieuwe auto, maar het was zeker geen goedkope auto. Vandaag gaat hij zijn hele familie laten zien hoe trots hij op zijn nieuwe auto is. Aan zijn beide broers en hun echtgenotes en aan mijn tante, de zus van mijn moeder en aan mijn grootvader en grootmoeder moet de auto worden vertoond. Mijn neef Karel wilde erin rijden , maar mijn vader vond dat niet zo'n goed idee. Karel heeft nog maar net zijn rijbewijs gehaald. Mijn zus en ik vinden de auto prachtig , omdat deze groter en sneller is dan de oude auto die mijn vader had. Mijn moeder houdt haar mond . Zij is niet zo blij want zij vindt de auto te duur. Zij wou niet opnieuw ruzie daarover maken, daarom glimlacht ze veel.

Asking directions[edit]

We have made a beginning with asking directions in Lesson 5, but go to Dutch/Vocabulary/Asking_directions to study more phrases related to this topic. Then come back here to do the following quiz.

1

Play the audio clip and translate. (Notice that the period is already written.)

.

2

Play the audio clip and translate

.

3

Play the audio clip and translate (write numeral as 34, 52 etc.)

.

4

Play the audio clip and translate (write numeral as 34, 52 etc.)

.

5

Translate into Dutch

:Public transport

.

6

De or het

dehet
fiets
tram
vervoer
halte
station
bus
trein

7

Put the following words in the right order to form a proper sentence.

liever openbaar vervoer? u Gaat het met

8

Put the following words in the right order to form a proper sentence.

morgen Ik was. u of thuis vroeg

9

Put the following words in the right order to form a proper sentence.

er bus mee? Wie met gaat de

10

Put the following words in the right order to form a proper sentence.

laat. was maar op De was de te bus trein tijd