Dutch/Vocabulary/Drinks

From Wikibooks, open books for an open world
Jump to: navigation, search

Nouns[edit]

The word drink is the same in both English and Dutch, when you use the verb: I drink - ik drink.
However, for a drink in Dutch you say een drankje.
It is the diminutive of drank which means beverage.

Let's look at some dranken:

de koffie - coffee

de thee - tea

de wijn - wine

de cider - cider

het water - water

het bier - beer

het citroensap - lemonade

het appelsap - apple juice

de witte wijn - white wine

de rode wijn - red wine

de droge wijn - dry wine

de zoete wijn - sweet wine

Verbs[edit]

"Drinken" is a very common verb in Dutch. But, be careful! "Drinken" is a strong verb with vowel changes in the past tense and the past participle.

Present

ik drink we drinken

je drinkt jullie drinken

hij drinkt ze drinken


Past

ik dronk we dronken

je dronk jullie dronken

hij dronk ze dronken


Past Participle: gedronken

In Conversation[edit]

How do you order drinks in Dutch? Take a look:

Waiter: Wilt u iets drinken?

Customer: Ja, graag!

Waiter: Wat wilt u drinken?

Customer: Om te beginnen wil ik een glaasje rode wijn. Wat beveel je aan?

Waiter: De huiswijn is Merlot.

Costumer: Een glaasje merlot. Dat zou prima zijn!

Waiter: Dat is alles?

Costumer: Ja.

moments later

Waiter: Alstublieft, één glaasje witte wijn.

Customer: Maar dat is niet wat ik besteld heb. Ik had graag rode wijn.

Waiter: Oh, sorry!