Dutch/Lesson 1/Key
From Wikibooks, open books for an open world
Jan komt Karel op straat tegen. Ze zijn vrienden. (3rd pl. nom weak)
- Jan: Goedendag, Karel. Hoe gaat het met je? (2nd sing. acc. weak)
- Karel: Goedendag. Dank je, met mij gaat het goed. En met jou?
-
- (1. sg. acc str/2 sg ac str)
- Jan: Dank je, met mij gaat het goed. Tot ziens.
-
- (2 sg acc weak, 1 sg. acc strong)
- Karel: Tot ziens, Jan!
In the expression hoe gaat het met jou, jou is in the object case, because it follows a preposition met (with). Literally it says how goes it with you. English would say: How are you? In that case you is subject, not object.
- Meneer Jansen komt mevrouw De Vries tegen. Zij zijn handelaars. (3plnom.str)
- Meneer Jansen: Goedendag, mevrouw De Vries!
- Mevrouw De Vries: Goedendag, meneer Jansen!
- Meneer Jansen: Hoe gaat het met u? (2 sg acc polite)
- Mevrouw De Vries: Zeer goed, bedankt. En met u? (same)
- Meneer Jansen: Ook goed.
- Mevrouw De Vries: Mooi. Bent u meneer Standish al tegengekomen? (2 sg nom polite)
- Meneer Jansen: Uit Engeland? Nee. Is hij op bezoek? (3 sg nom)
- Mevrouw De Vries: Ja. Tot ziens, meneer Jansen!
- Meneer Jansen: Tot ziens, mevrouw De Vries
This page may need to be